Paragrafen 

Financiering

Inleiding

De paragraaf financiering beschrijft de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille. Meer dan voor de andere paragrafen is op dit gebied het nodige wettelijk verankerd, met name in de Wet Fido en de Ruddo, de uitvoeringsregeling van de (aangescherpte) Wet Fido, laatstelijk aangepast in 2009. In 2015 is voorts de vernieuwde Handreiking Treasury van het ministerie van BZK verschenen, die ook weer nadere informatie geeft. Tenslotte geeft ook het vernieuwde BBV richtlijnen met betrekking tot de toe te rekenen rente en de verantwoording daarvan in de planning- en control stukken.

In 2014 tenslotte zijn het treasurybesluit van de gemeente Hengelo en de richtlijnen voor het verstekken van geldleningen en garanties aangescherpt.

Wat willen we bereiken

De doelstellingen van het treasurybeleid zijn vastgelegd in de verordening financieel beheer (Verordening ex artikel 213 GemeenteWet, artikel 11) en in het treasurybesluit.

Schatkistbankieren

Per 1 januari 2014 is het verplicht schatkistbankieren van lagere overheden bij het rijk definitief ingevoerd. Dit heeft gevolgen voor het treasurybeleid. Tegoeden worden dagelijks ‘afgeroomd’, op een aparte rekening bij huisbank BNG gestort en bij het rijk belegd. Debetsaldi, ‘rood staan’ wordt nog steeds op de gebruikelijke wijze afgedekt door daggeld- of kasgeldleningen.

Gemeentefinanciering

Bij de financiering van de gemeentelijke activiteiten wordt de gemeente als één geheel beschouwd. Dat houdt in dat bij het bepalen van de financieringsbehoefte alle inkomsten en uitgaven betrokken worden. Door de goedkope financiering in de laatste jaren is vanaf 1 januari 2016 de omslagrente, de rente die in rekening wordt gebracht bij investeringen die op de balans staan, verlaagd van 4,5% naar 3,75%.

Nu, met het oog op het vernieuwde BBV, wordt voorgesteld om de omslagrente te handhaven op 3,75%. Dat valt binnen het kader van het vernieuwde BBV, dat de gemiddelde rente over de opgenomen geldleningen toestaat, vermeerderd met maximaal 0,5%.

Voor de boekwaarde van de diverse grondcomplexen wordt een rente gehanteerd van 2%, zijnde de disconteringsvoet. De commissie BBV schrijft een disconteringsvoet voor van 2%. De disconteringsvoet wordt gebruikt om het resultaat op eindwaarde, contant te maken naar heden om de hoogte van de te treffen voorziening te bepalen. De gehanteerde disconteringsvoet was gelijk aan de rente (laatst vastgesteld op 3,75%). Bij een disconteringsvoet van 2% en een rente van 3,75% wordt teveel voorziening getroffen. Dat probleem wordt verholpen door de rente in gemeentelijke grondexploitatieprojecten gelijk te stellen aan de disconteringsvoet (2%).Door ‘totaalfinanciering’ worden de rentekosten geminimaliseerd. Leningen worden op de meest optimale momenten aangetrokken, rekening houdend met de gemeentelijke rentevisie, de Wet Fido, de kasgeldlimiet en de renterisiconorm.

Regelmatig wordt een rentevisie opgesteld. Deze rentevisie is samengesteld op basis van rentevisies van de toonaangevende banken en financiële media in Nederland. Voor de periode 2017-2020 wordt rekening gehouden met een licht stijgende korte rente en lange rente, die overigens nog steeds op een relatief laag niveau ligt.

Nu het verplichte schatkistbankieren per 1 januari 2014 is ingevoerd zal zoveel mogelijk de kasgeldlimiet worden opgezocht. Treasury beslissingen zullen nu het gevolg zijn van de liquiditeitenplanning, de rentestand, de verwachte rentestand (rentevisie) en het risico van overliquiditeit.

Kasgeldlimiet en renterisiconorm

Ook in 2017 zal ernaar worden gestreefd de kasgeldlimiet niet langdurig te overschrijden, dit binnen het kader van de (herziene) Wet Fido. Daarbij moet worden opgemerkt dat overschrijding van de kasgeldlimiet gedurende een kortere tijd in afwachting van inkomsten en in het vooruitzicht van een lagere rente niet in strijd is met de wet Fido en het vigerende treasurybesluit, en bij een aanhoudend lage korte rente zelfs aanbevelenswaardig is. De kasgeldlimiet bedraagt 8,5% van het begrotingstotaal van € 286 miljoen, ofwel ruim € 24,3 miljoen. Samengevat is financiering met kort geld is nog steeds zeer interessant, gelet op de zeer lage korte rente.

De renterisiconorm bedraagt ruim € 57 miljoen (20% van het begrotingstotaal).

De financieringsbehoefte voor de komende jaren bedraagt ongeveer:

  • 2017: 40 miljoen
  • 2018: 36 miljoen
  • 2019: 20 miljoen
  • 2020: 5 miljoen

Wet Hof

Volgens het bestuursakkoord dat minister van financiën Dijsselbloem heeft afgesloten met VNG, IPO en de Unie van waterschappen mogen de lagere overheden een EMU-tekort hebben van 0,3% in 2017. Daarnaast is een motie in de Tweede Kamer aangenomen met de strekking dat het kabinet moet voorkomen dat de Wet Hof leidt tot uitstel en afstel van investeringen.

Het tekort van de rijksoverheid is de afgelopen jaren sterk gedaald. Daarmee lijken de grootste risico’s van de Wet Hof voorlopig van de baan.

Kasbasis

Anders dan het rijk moeten gemeenten al jaren begrotingsevenwicht nastreven, althans op basis van het stelsel van baten en lasten. Hierdoor worden de lasten van investeringen over een aantal jaren gespreid. Daardoor kan het ook voorkomen dat gemeenten die een sluitende begroting hebben op baten en lasten basis, op kasbasis een begrotingstekort hebben. Om dat in kaart te brengen moeten gemeenten in de begroting het EMU-saldo invullen. Dat is feitelijk een herberekening van de begroting van lasten en baten naar kasbasis.

Vuistregels

Enkele vuistregels voor de omvang van het EMU-saldo:

  • Investeringen hoger dan afschrijvingen betekent een negatief effect op het EMU-saldo
  • Investeringen in grond hoger dan verkopen bouwgrond betekent een negatief effect op het EMU-saldo
  • Verkoop aandelen betekent een positief effect op het EMU-saldo
  • Het vormen van reserves en voorzieningen betekent een positief op het EMU-saldo
  • Het dekken van uitgaven uit een voorziening betekent een neagief effect op het EMU-saldo
  • Een ontvangen subsidie van een andere overheid betekent een positief effect op het EMU-saldo
  • Aantrekken en uitzetten van geld heeft géén invloed op het EMU-saldo

Wat gaan we doen

Bij het aantrekken van geldleningen zal, als altijd, rekening worden gehouden met de liquiditeitenprognose, gekoppeld aan de rentestand en met name de rentevisie. Het Treasurycomité zal gedurende het jaar toezicht blijven houden op de uitvoering van het treasurybeleid.

Leningen aan Welbions

Met de fusie van Welbions met Woningstichting Borne is het verstrekken van geldleningen met een beperkte opslag voor risico en kosten definitief van de baan. Er is een achtervangovereenkomst afgesloten met het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW). De reeds afgesloten leningen kunnen ongewijzigd ‘uitlopen’. De beleidswijziging brengt (beperkte) financiële gevolgen met zich mee, waarmee in de meerjarenbegroting rekening is gehouden.

Verstrekking van geldleningen

Nog steeds wordt de gemeente benaderd voor het verstrekken van een garantie of een geldlening. Uitgangspunt is en blijft dat de gemeente geen bankier is en dat ook niet moet worden om het bedrijfs- en verenigingsleven overeind te houden. De Wet Fido en de daaraan gekoppelde Ruddo dichten de gemeente slechts een bancaire rol toe wanneer sprake is van een ‘maatschappelijk belang’. Datzelfde geldt voor het verlenen van gemeentegaranties. Het mag niet zo zijn dat een projectontwikkelaar het risico naar een gemeente afschuift en/of de gemeente verder laat financieren als hun geldbron is opgedroogd en/of de onderneming zijn vleugels wil uitslaan naar nieuwe projecten.

Daarenboven heeft de gemeente te maken met steeds verdergaande regelgeving in het kader van staatssteun. Verstrekking of garantie van een lening tegen een relatief lage rente aan een CV/BV zal al heel gauw worden gezien door de Europese Commissie als ontoelaatbare staatssteun. De gemeente zal daarop worden aangesproken. Grote terughoudendheid is derhalve nog steeds het parool. Daarom is het beleid met betrekking tot het verstrekken van geldleningen aan derden in 2014 verder aangescherpt. Bovendien is een voorziening getroffen voor instellingen met een gemeentelijke geldlening, die moeite hebben om aan de (terug)betalingsverplichting te voldoen.

Wel is de deur op een kier gezet voor sportverenigingen die een beroep doen op het waarborgfonds voor de sport. Deze instelling wil wel 50% van het te financieren bedrag garanderen, maar zal dat slechts doen indien de gemeente meedoet voor de resterende 50%. Uitgangspunt blijft nee, tenzij de vereniging aan strenge voorwaarden voldoet.

Renteresultaat

De wijziging van de rente voor grondcomplexen van 3,75% naar 2% en voor het Hart van Zuid van 4,5% naar 3,75% heeft de nodige gevolgen voor het renteresultaat. Doordat veel minder rentelasten worden toegerekend aan de diverse grondcomplexen daalt het renteresultaat aanmerkelijk. Dit wordt deels ‘terugverdiend’ doordat de rente voor geldleningen met een langere looptijd ook zeer laag is, maar dat effect treedt pas in de komende jaren op, wanneer hoogrentende leningen worden afgelost en nieuwe, laagrentende leningen worden aangetrokken.

Het komende jaar 2017 wordt, net als de vorige jaren, bijzonder onzeker. Het treasurycomité zal nadrukkelijk de vinger aan de pols houden.

Het renteschema ziet er als volgt uit (* € 1.000):

ADe externe rentelasten over de korte en lange financiering25.601
BDe externe rentebaten-/-18.441
Totaal door te rekenen externe rente 7.160
CDe rente die aan de grondexploitatie moet worden doorberekend-/-4.021
De rente van projectfinanciering die aan het betreffende taakveld moet worden toegerekend-/-0
4.021
Saldo door te rekenen externe rente3.139
D1Rente over eigen vermogen0
D2Rente over voorzieningen (gewaardeerd op contante waarde)0
De aan taakvelden (programma’s inclusief overhead) toe te rekenen rente3.139
EDe werkelijk aan taakvelden (programma’s inclusief overzicht Overhead) toegerekende rente (renteomslag)-/-8.430
Overige rente en kosten107
FRenteresultaat op het taakveld treasury (dus een positief renteresultaat)-/-5.184